Duikers weten het maar al te goed. En ook in een diep zwembad is het al merkbaar: hoe dieper je onder water komt, hoe hoger de waterdruk wordt.
Die natuurwet werd in 1874 voor het eerst gebruikt om diepte te meten. In dat jaar werd het Thomsonlood uitgevonden. Dat werkte als volgt: er werd een stuk lood in het water gegooid met daaraan een lijn. Net boven het lood aan de lijn was een houder ter bescherming van een lange glazen buis vastgemaakt. Deze glazen buis was aan de onderkant open. Door de veranderende waterdruk steeg het water in de bus. De bus was behandeld met een stof die verkleurde als hij in aanraking kwam met water.
Zo kon, als het geheel weer aan dek was, met een schaalverdeling tegen de bus worden afgelezen hoe diep het water was. Een groot voordeel van deze methode was, dat ook vrij snel varend de diepte kon worden gemeten.
Dit apparaat is alleen het deel dat aan dek stond. Uit het apparaat kwam een dunne kabel waar, onderaan, het lood, en de lijn met houder was bevestigd .


